Genesis betekent oorsprong. Deze titel draagt het boek niet voor niets. Niet alleen de oorsprong van de wereld staat centraal. Ook de oorsprong van het volk Israël komt aan de orde.
Het boek telt 50 hoofdstukken.
De eerste 11 hoofdstukken fungeren als inleiding op het hoofdthema: God roept zijn volk. Want vanaf hoofdstuk 12 (de roeping van Abraham) tot aan hoofdstuk 50 (Israël in Egypte) openbaart God zichzelf als de God die Zijn verbond opricht met de familie van Abraham.
Heb je het boek Genesis gelezen, dan heb je een complete openbaring van Gods reddingsplan meegekregen.
- God is de schepper, die de mens als Zijn beeld in de wereld plaatst.
- God is de heilige God, die het kwaad niet door de vingers ziet en de zonde straft met de dood
- God is de genadige God, die een uitweg geeft aan Noach en zijn nageslacht in het water van de vloed.
- God is de verbondsgod, die Abraham uitverkoren heeft om Zijn naam in de wereld uit te dragen.
- God is de oordelende God die de steden Sodom en Gomorra straft over hun kwaad.
Tenslotte, begin te lezen in Genesis. De verhalen zullen zeker boeien, vragen oproepen, je leren wie God is en hoe Hij omgaat met zijn kinderen.
vrijdag 16 december 2016
Bijbel2017Lézen - ik doe mee!
Al heel veel christenen zijn jou voorgegaan. In één jaar tijd lazen zij de Bijbel door.
Aan de hand van een rooster lees je twee of drie hoofdstukken per dag. Op deze manier lees je in één jaar je Bijbel door. Zeer inspirerend en leerzaam. Je ontdekt vooral de grote lijnen. De eerste maand lees je heel Genesis door. Over schepping, zonde, verlossing en over Abraham, Izak en Jakob.
woensdag 27 januari 2016
Koningen, priesters en heiligen
(n.a.v. Ex. 19 “Een koninkrijk van priester, een heilig volk”).
Israël wordt
door God geadopteerd als zijn kind, zijn kostbaar bezit. Anders dan alle andere
volken zal Israël een bijzondere band met God hebben. Zij zijn als Gods
vertegenwoordiger in de wereld. In de Studiebijbel
wordt hierbij opgemerkt dat Israël 1) een koninkrijk is waarvan de HEERE de
koning is. Vervolgens ook 2) een volk van ‘priesters’ die de HEER dienen – zij zullen
de priester van andere volken zijn om hen bekend te maken met de HEER. Tegelijk
zullen zij ook God de eer bewijzen die Hem toekomst. Maar ook zal Israël 3) een
‘heilige natie’ zijn, geroepen en afgezonderd om de HEERE te dienen.
In 1 Petrus 2 roept Petrus de nieuwtestamentische gemeente op om ook
een koninkrijk van priesters te zijn. Lange tijd hebben we als kerken van de
Reformatie ingezoomd op het Bijbelboek Romeinen en de brieven van Petrus min of
meer terzijde gelegd. Volgens S. Paas zou “dit
‘exegetische stiefkind’ van de nieuwtestamentische literatuur voor de kerk van
nu wel eens van even grote betekenis kunnen worden als de brief van de Romeinen
dat was voor de kerken van de Reformatie.” (In: ‘Vreemdelingen en
Priesters, 2015, p. 178).
Paas zegt hier over de kerk dat zij ´door God geheiligd wordt om hem te vertegenwoordigen bij de mensen.
Kortom, als een heilig koninkrijk van priesters vertegenwoordigt de kerk God
bij de mensen en de mensen bij God.” Hij werkt dit verder uit en merkt op dat de
vertegenwoordiging van mensen bij God betekent dat zij Hem de eer bewijst die
de wereld Hem niet geeft. “de kerk prijst
God namens een wereld die God niet kent.” Aan de andere kant zal de gemeente God bij de
mensen bekend maken “als
vertegenwoordiger van God bij de mensen heeft de christelijke gemeente een
dienende, vriendelijke, geduldige, getuigende, zegenende levensstijl, net als
Jezus Christus die haar voorging als priester.’ (Paas, 2015: 195).
Wat een belangrijke taak, een rijke levensvulling en een hoge roeping geeft God ons!
vrijdag 22 januari 2016
Onze Vader 3.0 - een nieuwe generatie met 'oude papieren'.
Als opdracht gegeven aan leerlingen van HAVO 2 - "Zoek naar de betekenis van elke regel van het 'Onze Vader'. Begrijp je de inhoud, schrijf dan je eigen versie."
Prachtige voorbeelden - zie onder. Voor een poll, ga naar http://strawpoll.me/6607291
1) Kevin en Robin
Onze God in de hemel,
Wij willen weten wie U echt bent.
Wilt u zorgen dat we leven volgens de Bijbel en dat het geloof blijft
groeien. Wil de duivel van ons weghouden, en ons beschermen totdat Jezus komt.
En dat we niet doen wat we zelf willen, maar wat u wilt. Leer ons als
engelen te zijn.
Dat we elke dag eten en drinken krijgen en beseffen dat we het van u
krijgen.
Dat u ons wilt vergeven, alle slechte dingen en dat we het ook bij
anderen kunnen.
Dat u ons wilt beschermen tegen al het slechte en tegen de duivel.
Want we vragen dit aan u en u beslist wat er gebeurt en niemand anders.
Amen.
(2) Martijn en Mels
Heere in de hemel,
Leer ons u echt te kennen.
Wilt u ons leven sturen door uw Woord en Geest.
Leer ons onze eigen wil los te laten en uw wil te accepteren.
Wilt u ons datgene geven dat we nodig hebben.
Geef ons een zondeloos leven.
Help ons in de strijd tegen het kwaad en geef ons moed als we moedeloos
zijn.
U kunt het ons geven, want u bent onze Vader.
Laat ons in uw koninkrijk komen en geef ons vrede.
Het is echt waar, Amen.
(3)
Onze Vader die in de hemelen zijt.
Vader, leer ons zo te leven dat we U prijzen.
Stuur ons leven door de Bijbel en de Heilige Geest en verbreek alles
dat slecht is.
Leer ons om onze eigen wil los te laten.
Wilt U ons eten en drinken geven en alles wat wij nodig hebben.
Vergeef onze zonden en leer ons om onze naasten ook te vergeven.
En zorg dat wij het goede pad opgaan en niet het slechte.
Want U bestuurt alles en alleen met een nieuw hart kunnen wij in de
hemel komen.
Amen.
(4) Matthijs en Jelle
Onze vertrouwde Vader die hoog in de hemel is.
U wordt grootgemaakt door ons.
Laat Uw koninkrijk groeien, zodat iedereen het merkt.
Leer iedereen naar uw wil te luisteren, zoals de engelen doen.
Wilt U ons eten en drinken geven, en laat ons beseffen dat alles van u
komt.
Wilt U onze kwade dingen vergeven en leer ons ook vergeven.
Wilt U ons helpen goede keuzes te maken, dan zullen we het halen.
We vragen dit aan U, want U bent onze Koning.
(5) Aniek
Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
Uw Naam wordt geëerd.
U zult snel komen.
We eren U zoals hier op aarde, zo ook in de hemel.
Geef ons elke dag weer wat wij nodig hebben.
Vergeef onze schulden, zoals wij ook een ander vergeven.
Geef ons niet over aan het kwaad, maar breng ons naar U
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in
eeuwigheid.
Amen.
(6) Joëlle en Jetske
Onze Vader,
Uw Naam zal worden geëerd.
Mag de kerk blijven bestaan
Ik wil U altijd eren.
Wat U mij vraagt, zal ik doen.
Wilt U mij geven wat ik nodig heb.
Wilt U mijn zonden vergeven, dan zal ik dat ook bij anderen doen.
Laat mij niet overhalen, om een ander geloof te belijden.
Want alles is van U, U heeft de kracht en van U is de heerlijkheid.
Amen.
(7) Roosmarijn en Hannah
Onze vader in de hemel
Iedereen zal U aanbidden.
Wilt U ons helpen om naar uw wil te leven.
Wilt U ons helpen altijd het goede te doen, wat U van ons verwacht.
Wilt U ons onze dagelijkse voeding geven.
Wilt U onze zonde vergeven en help ons onze naaste ook te vergeven.
Wilt U ons kracht geven om alleen naar U toe te leven en niet naar de duivel
en alle slechte dingen.
We vragen U al deze dingen en wilt U dat geven, alleen als u het wilt
en op uw tijd
Alle eer voor U.
Amen
(8) Tim en Loran
God is door Christus onze Vader.
Hij is echt almachtig en komt voor ons zorgen.
Hij verdient lof, goedheid en eer
Hij zal komen op de wolken.
Uw wil zal gebeuren.
Wilt U ons elke dag voeden en ook met Uw woord.
Vergeef onze dagelijkse zonden.
Help ons om niet in verleiding te komen.
U zult nooit verdwijnen.
Amen.
maandag 18 januari 2016
Verloochenen en Volgen
Toen ik mijn leerlingen de opdracht gaf om de tekst van Mt
16:24-25 uit te leggen, kreeg ik mooie stukjes commentaar – Natuurlijk mochten ze gebruik maken van
bronnen, zo werd het een mooi geheel.
Ik geef ze graag door: “Toen zei
Jezus tegen Zijn discipelen:
Als
iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis
opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het
verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen om Mij, die zal het vinden.”
Suze schrijft:
“Jezus
bedoelt denk ik dat de discipelen zich alleen op hem moeten richten. Dat ze hun
werk en leven moeten opzeggen om bij Jezus te kunnen komen, en hem te kunnen
volgen.”
Valerie schrijft: “Dit vers geeft een keuze om blij en overtuigd
Christus te volgen. Het kruis betekent het lijden als christen, en alle moeite
door het goed doen of door het niet doen wat slecht is. Als iemand achter de
Heere Jezus wilt gaan, die spaart zichzelf niet en neemt alle lijden en moeite
op zich en volgt Jezus.”
Een ander schrijft: “als je bij Jezus wilt horen als discipel,
moet je al je spullen achter laten voor Jezus en Hem blijven volgen tot aan hun
dood. Ze moeten ook heel het evangelie aan alle mensen verkondigen en natuurlijk
God liefhebben.”
Leanne schrijft: “Een discipel komt achter Christus aan, zoals de
schapen achter de Herder. Het is iemand dit loopt op de weg waarop Hij
gewandeld heeft. Jezus wijst de discipelen erop dat de weg die Hij moet gaan,
ook de weg is van zijn volgelingen.”
dinsdag 24 november 2015
Waar is de ziel in onze samenleving?
Ik las zojuist een prachtig stuk uit Taylors' "Een seculiere tijd". Hij schrijft dat de overheersing
van de instrumentele rede een dreiging voor ons betekent. Velen zijn optimistisch,
anderen ronduit pessimistisch over de techniek. Taylor
signaleert: "Ik geloof dat de opvatting van de technologische samenleving als een
soort ijzeren noodlot niet te
handhaven is. Daarbij wordt te veel gesimplificeerd en wordt het wezenlijke
vergeten.”
Hoe sterk is onze samenleving nog en welke kracht hebben we nog gemeenschappelijk? We weten alles, maar kunnen niets. De macht van de techniek is zo sterk geworden, dat de ziel van de samenleving verdwenen is.
De pen een machtig wapen – n.a.v. Rosseels’ ‘Ik was een christen’
De pen een machtig wapen! Dat ontdekte ik weer des te meer
toen ik het boek van Vlaamse schrijfster Maria Rosseels ‘Ik was een christen’
las. (Gebruikte editie: uitgave van Kampen, Kok: 2003 (1e druk 1957). De hoofdpersoon, Alexander Marcus Aurelius, leeft in het tijdperk van de
eerste christelijke keizers. Hij is het die Julianus de Afvallige doodt, maar
tijdens de invloed van Theodosius ontdekt dat zijn geloof zo dun is als een vliesje.
Het boek dat al in 1958
geschreven is, is het zeker een stem geweest voor de vele katholieken in
Vlaanderen die moeite hebben met de macht van de kerk en de vele dogma’s en
rituelen. Ik geloof vast en zeker dat door het lezen van dit boek mensen zich
herkend hebben in hun afkeer van het geloof, dat volgens Rosseels slechts voor
domme en onzekere mensen is. Ik citeer:
“Ook ik was veranderd. Ik kon
geen keizer dienen die in de ongelovige zijn doodsvijand zag, die zich op Gods
rechtvaardigheid beriep om de ketters te straffen. De zekerheid van Theodosius
ergerde mij…. Ik geloofde niet langer
Gods wil te hebben volbracht door Julianus te doden. Ik had dat voor eigen
rekening gedaan.”(377)
Hij vervolgt nog scherper door te
stellen dat gelovigen dom en onzeker zijn.
“Hoe ver was ik toen al verwijderd van alles
waarin ik als kind had geloofd! De twijfel had het geloof aangevreten, zo diep
zelfs dat het had opgehouden pijn te doen. Ik hij met de twijfel verzoend. Ik
begon minachtend neer te zien op ieder die kritiekloos de opinies van een ander
overneemt; mijn persoonlijke onzekerheid beschouwde ik als een blijk van
intelligentie. Alleen een dom mens wil duidelijk afgebakende waarheden kennen,
zei ik; en op iedere vraag verwacht hij een onaanvechtbaar antwoord. De
verstandige is er zich van bewust dat hij niets kent, niets weet, wellicht
nooit zal weten.” (377)
Laten we eens kijken naar zijn
jeugd. Als het over zijn jeugd gaat, is hij door zijn grootmoeder
geindoctrineerd. Zij leerde hem leven voor het geloof in Christus en de hoop op
een verre toekomst.
“Maar ik was geen man. Niet in de betekenis
die vader en Angelo aan dat woord hechtten. Steeds dichter groeide ik naar de
wereld van grootmoeder toe, een wereld waarin men het heden negeerde en
uitsluitend leefde voor het geluk van een verre toekomst. Een begrensde wereld
was het: grootmoeder, moeder, Anicia, Sabina, Tara en ik – een wereld van
biddende vrouwen en een knaap.” (Rosseels, 2003: 51)
Ook het geloof in het hiernamaals
wordt kritisch bekeken. In een gesprek tussen Alexander en zijn vader blijkt
het ongeloof van vader hem in eerste instantie te shockeren, en het zal de
twijfelende lezer zeker intimideren:
“Het is even moeilijk om te geloven dat jouw
God van alle eeuwigheid heeft bestaan, mijn jongen. Jij gelooft het, en noemt
het een mysterie. Ik geloof in de cirkel, en noem het een mysterie. Het ene is
niet wanhopiger dan het andere. Of is jouw geloof niet in de allereerste plaats
gebaseerd op angst voor de hel? … en de hemel der christenen! Is hij geen fata
morgana, zoals de vissers van Rhegium die soms zien, of de karavaanleiders in
de Libische woestijn? Zij houden de ogen gericht op het lokkende paradijs, en
voelen de hitte niet meer, noch de dorst, noch de vermoeienis. Maar het is
slechts een luchtspiegeling, en als men ter plaatse komt, is het paradijs
verdwenen.” (88).
Als Julianus niet de christelijke
keizer blijkt die Alexander verwachtte, volgt er een heftig gesprek, waarin de
gelovige Alexander met open mond luistert naar de wijze taal van Julianus:
“Ik aanbid geen valse goden, Alexander, Ik
aanbid een levende god die ver boven ons troont, en die wij alleen kennen door
de krachten die van hem uitgaan: het licht, de wind, de storm, het leven dat in
ons is. En ik kniel niet voor een stenen beeld, maar voor wat het beeld
vertegenwoordigt. Als jij het hoofd buigt voor het kruis van de Galileeër, dan
aanbid je niet het kruis, maar de God die volgens jouw geloof, achter het
symbool, een werkelijkheid is.” (pg 138).
Rosseels lijkt ook een duidelijke
verklaring te kunnen geven voor de theologische verschillen tussen christendom
en heidendom, met name de aanbidding van Mithras. Omdat de geschiedkundige
gegevens heel nauwkeurig worden uitgelegd en verklaard, lijkt ook de uitleg van
het geloof een prima verklaring te geven, waar een onvoldoende onderwezen
christen gemakkelijk onder de indruk komt van de waarheid.
“de vergissing was ook begrijpelijk. Zoals
het christendom, was het mithraïsme uit het Oosten gekomen, en bleef lange tijd
de godsdienst van armen en eenvoudigen. Volgens de legende werd ook Mithra in
een grot geboren en brachten de herders het kind allerhande gaven. Zoals de
christen geloofde de volgeling van Mithra in de ondergang van de wereld, de
verrijzenis, het oordeel, het eeuwig leven in de duisternis der hel of in de
lichtende klaarte van een hemel die zich zevensferig boven de aarde koepelt…
Zoals Christus werd Mithra beschouwd als de middelaar tussen God en de mens, en
maakte hij deel uit van een drie-een-heid. Om de mensheid te redden had Mithra
de stier geofferd; Christus had zichzelf gegeven als het voorafgebeelde
paaslam. God, en hoe weinig wisten zij er dan nog van! Al hun praten was louter
gissen.” (190/1)
Als Alexander Julianus heeft
gedood, komen de twijfels boven: was het nu wel zo heldhaftig en goddelijk om
de keizer te doden? Is God hier nu tevreden mee? En Alexander schrijft:
“God zweeg. Ik had beter de stenen kunnen
bidden brood te worden. God, mijn God, tot U ontwaak ik bij het morgenlicht!
Hoe ijdel klonken de vertrouwende woorden van David in dit tragisch uur. God
wilde mij niet helpen. En de mensen kónden het niet. Wat ik nu neerschrijf zal
velen wellicht doen huiveren van afschuw, en ik weet niet of mij de zware zonde
ooit zal worden vergeven. Maar in mijn radeloos verdriet wendde ik mij tot het
enige schepsel dat nog de macht bezat mijn wanhoopsgebed te verhoren: de
gevallen engel, die men duivel noemt.” (pg. 231/2)
Als zijn heidense vader
sterft, wil Alexander hem troosten, maar ontdekt dat zijn vader zelf troost
vindt in zijn idealen en deugden. Volgens vader is de grondslag van het
christendom de macht om te heersen.
“ik zie niet het onderscheid tussen een
katholiek of ariaans priester en de heiden die aan de goden offert. Ook zij
streven naar macht en geld; ook zij jagen goedbetaalde baantjes na. Alles
herbegint van voren af aan. En wat de mensheid betreft, is er niets nieuws
onder de zon.” (Pg 297)
Als zijn broer, zijn zelfbewust
broer ook blijkt te geloven, is Alexander verbaasd. Hij vraagt zich af waarom
een intelligent mens als Angelo zou willen geloven. Hij antwoord:
“Ik heb opgehouden met zoeken,’ ging hij
rustig verder. ‘Ik geloof. En vraag mij niet waaróm ik geloof; want ik wet het
niet. Augustinus zegt dat God Zijn genade schenkt aan wie Hij wil, zonder
verdienste van onzentwege. Ook dát is mij een mysterie. En ook daarin geloof
ik. Zoals jij, Alexander.”
Als Alexander kort hierop bij de
beroemde bisschop van Milaan, Ambrosius, op gesprek komt, geeft deze hem een
onverwacht antwoord op de vraag naar de bestemming van zijn vader. In hoeverre
deze uitspraak inlegkunde genoemd kan worden, laat ik aan de lezer over. Maar
Ambrosius zegt:
“wij zijn vertegenwoordigers van Gods genade,
niet van zijn gramschap. Treur niet om je vader, Alexander. Hij heeft Gods
licht niet herkend, maar hij was geen zondaar.” (Pg 305)
Bij deze zelfde bisschop komt hij
in contact met de jonge Aurelius Augustinus, de grote twijfelaar en zoeker naar
de waarheid. Volgens Alexander is hij
“bezeten door de hoop op een mirakel, het
verlangen door God te worden uitverkoren tot een geweldige tak. En het martelde
hem tot in zijn lichaam dat hij niet eens het geloof bezat van een simpele
catechumeen. Augustinus was een twijfelaar, iemand die zoekend vindt en dna
niet gelooft in wat hij gevonden heeft, het terzijde werpt, er opnieuw naar
hunkert, er in radeloosheid om huilt, doch voelt hoe hij er steeds verder van
wegglijdt.” (pg 325).
Als er een opstand uitbreekt in
Milaan, waarbij de overheid tegen de kerk in opstand komt, verschuilen de
christenen zich in de kerk bij Ambrosius. Er moet een keuze gemaakt worden: bij
God horen dus ook bij Ambrosius, of bij de seculiere overheid je toevlucht
zoeken. Hier krijgen we een scherpe aanval op de theologie, alsof het
haarkloverijen zijn. In feite is dit wel vaak het geval geweest, vrees ik, maar
voor Alexander blijkt het een besef binnen te brengen:
“de keuze was voor mij minder eenvoudig dan
hij dacht. Hoe kon ik mijn hele carrière … offeren aan een theologisch geschil?
Want op dat ogenblik was ik er lang niet meer zo zeker van dat uitsluitend in
de geloofsbelijdenis van Nicea de alleenzaligmakende waarheid lag vervat.
Raakte men aan de beide kanten van de barricade niet verward in gissingen? …
Dan blijkt zijn geloof in God
meer verbonden met de man Ambrosius:
“zij vergaten voor een kort ogenblik hun
geschil, verenigd door het geloof in dezelfde God Wiens kracht zich in Zijn
dienaar Ambrosius had geopenbaard.” (p 336).
De epiloog van het boek is prachtig qua stijl en inhoud. Maar
tegelijkertijd weerspiegelt het precies de visie op geloof en God die de tweede
helft van de 20e eeuw zal kenmerken: God heeft geen recht om mensen
naar de hel te sturen. Hij is goed en zal alle mensen een toekomst geven die
zij nodig hebben.
“God is genade, of Hij zou gen God zijn. Al het
andere blijft een ondoorgrondelijk geheim dat pas na de dood zal worden
opgeklaard. Want achter de begrensde horizon van dit aards bestaan ligt een
anere wereld waarin zien en kennen tezamen zullen vloeien tot een nieuwe
bewustwording: zijn in God. Daartoe werden wij geschapen en hebben wij als mens
op deze wereld geleefd.
Abonneren op:
Posts (Atom)