Christus belijden voor de gemeente van Christus is met elkaar belijden en erkennen dat we redding van een Ander nodig hebben. Ons geloof belijden na een catechese is er één. Maar het start een levenslang proces van vernieuwing in ons leven. God in ons laten werken gaat ons hele leven door. Het is net als met het behalen van je rijbewijs: als je slaagt voor je rijexamen, begint het proces dat van jou een ervaren rijder maakt. Zo is het christenleven een proces met een duidelijk beginpunt (je belijdenis) en een duidelijk doel (achter Jezus aan) en eindpunt (de eeuwigheid). Als we elkaar Gods zegen wensen, mogen we ook de juiste verwachtingen uitspreken: als je belijdenis een hoogtepunt is, kan het ‘gewone christenleven’ en dal worden, waar je niet op gerekend had. Daarom enkele citaten uit een beroemd werk van C.S. Lewis, zijn Onversneden Christendom. Het kan je helpen om reële verwachtingen te hebben over je leven als christen.
Als gewezen atheïst wist Lewis als geen ander dat gelovigen
niet zomaar een kunstje uitvoeren in hun geloofsleven. Nee, het gaat om echt
leven. Tijdens zijn radiopresentaties in de tweede wereldoorlog heeft Lewis serieuze
boodschappen over het geloof in God gebracht. In zijn laatste serie in 1944 Beyond
Personality (vertaald als Hoogst persoonlijke en nog hoger)[1]
stelt hij de vraag in hoeverre christendom een kunstje is. Hij werkt dit om
in een hoofdstuk 7, dat ‘doen alsof’ heet. Hij zegt daar het volgende:
En nu begint ons duidelijk te
worden waar het Nieuwe Testament steeds over praat. Het gaat daar over
christenen die ‘wedergeboren’ worden, die zich ‘met Christus bekleden’; over
Christus die ‘gestalte krijgt in u’ en over het leren kennen van ‘de zin van
Christus’. Zet de gedachte uit uw hoofd dat dit alleen maar mooie manieren zijn
om te zeggen dat een christen moet lezen wat Christus heeft gezegd en dan moet
proberen dat te doen, zoals je kunt lezen wat Plato of Marx heeft gezegd en dat
proberen te doen. Het houdt veel meer in. Het houdt in dat er een werkelijke
Persoon, Christus, hier en nu, in de kamer waar u aan het bidden bent, dingen
met u doet. Het gaat hier niet over een tweeduizend jaar geleden gestorven goed
mens. Het is een levend Mens – nog evenzeer mens als u bent en nog evenzeer God
als Hij was toen Hij de wereld schiep – die zich werkelijk met u komt bemoeien;
die het oude, natuurlijke ik in u komt doden en vervangen door het soort ik dat
Hijzelf heeft. Eerst maar af en toe een ogenblik. Dan voor langere perioden. Ten
slotte verander je, als alles goed gaat, voorgoed in iets anders dan je was – in
een nieuw klein Christusje, een wezen dat op zijn eigen bescheiden niveau
hetzelfde soort leven heeft als God, deel heeft aan zijn macht, vreugde, kennis
en eeuwigheid. En al gauw kom je tot twee andere ontdekkingen…’[2]
Lewis beschrijft hier de twee ontdekkingen, namelijk dat je
je zondige daden erkent, maar ook je eigen zondigheid leert kennen en ervan gaat
schrikken. En de tweede ontdekking dat het de drie-enige God is die in jou aan
het werk is, je opvoedt tot een nieuw leven en je leven verandert.
In het volgende hoofdstuk 8 ‘is christelijke godsdienst
moeilijk of niet’ stelt hij het ‘gewoon
christen zijn’ ter discussie. Zijn christenen gewoon ‘nette burgers met een
fatsoenlijke moraal’, of zijn we nieuwe mensen. Hij zegt hier:
‘Zo zit het ook hier. Het is
iets verschrikkelijks, het is bijna iets onmogelijks, jezelf met al je verlangens
en voorzorgsmaatregelen geheel en al aan Christus uit te leveren. Maar het is
veel gemakkelijker dan wat we in plaats daarvan allemaal proberen. Want we proberen
wat we noemen ‘onszelf te blijven’ ons persoonlijke geluk als het grote
levensdoel te houden, en tegelijk toch ‘goed te zijn’. We proberen allemaal onze gedachten en ons
hart hun eigen gang te laten gaan – met geld of plezier of eer bezig te zijn –
en hopen desondanks eerlijk en kuis en bescheiden te blijven. En waar Christus
voor waarschuwde is nu precies dat dat niet kan. Een distel kan geen vijgen
voortbrengen, zei Hij. Als ik een akker ben met daarin niets dan graszaad, kan
ik geen tarwe opleveren. Als je het gras maait, houd je het misschien wel kort;
maar ik lever nog steeds gras op en geen tarwe. Wil ik tarwe opleveren, dan
moet de verandering dieper gaan dan de oppervlakte. Ik moet worden omgeploegd
en opnieuw ingezaaid.
Vandaar dat het eigenlijke probleem
van een christenleven meestal opduikt waar mensen het niet zoeken. Het duikt
iedere morgen op direct bij het wakker worden. Al je wensen en verwachtingen
voor die dag bespringen je als wilde dieren. En je eerste taak is iedere morgen
gewoon dat je ze allemaal van je afduwt; dat je naar die andere Stem luistert, het
andere Gezichtspunt inneemt, het andere, ruimere, sterkere, kalmere leven laat
binnenstromen. En zo de hele dag voort.’
In hoofdstuk 9 ‘Bezint eer ge begint’ schrift Lewis
vervolgens over het onvermijdelijke van het leven dat Christus in ons werkt. Christus
staat een totale renovatie van ons levenshuis voor, een brengen tot volmaakt
gericht zijn op Gods doelen voor ons leven. Hij begint met het voorbeeld dat
hij bij kiespijn wel zijn moeder om een paracetamol vraagt, maar liever niet
heeft dat ze hem naar de tandarts stuurt, want…
‘Als je ze een vinger gaf,
namen ze je hele hand. Christus lijkt, als ik het zo zeggen mag, op zo’n
tandarts. Als je Hem een vinger geeft, neemt Hij je hele hand. Veel mensen gaan
naar Hem toe om af te komen van één bepaalde zonde waarvoor ze zich schamen
(zoals masturbatie of lafheid) of die duidelijk hun dagelijkse leven vergalt
(zoals humeurigheid of drankzucht). Hij zal u daar vast en zeker van afhelpen –
maar daar zal Hij het niet bij laten. Meer had u misschien niet gevraagd; maar
haalt u Hem er eenmaal bij, dan krijgt u ook het complete programma. Hij
waarschuwde de mensen dan ook: bezint eer gij begint christen te worden. ‘Vergis
je niet,’ zegt Hij, ‘als je Mij laat
begaan, dan zal Ik jou vervolmaken. Zodra je jezelf in Mijn handen legt, staat
dat je te wachten. Niets minder en niets anders. Je hebt een vrije wil en als
je wilt, kun je Mij wegduwen. Maar als je Mij niet wegduwt, begrijp dan goed
dat Ik dit karwei zal afmaken. Hoeveel lijden het ook meebrengt tijdens je
aardse leven.’
Lewis noemt nu het alternatief, dat we onszelf blijven en
verwachten dat te kunnen. Maar zolang God onze schepper is, zal Hij ook onze
herschepper zijn.
‘Ik heb me nooit verbeeld een
heilige te worden,’ zeggen we dan, ‘ik wilde alleen maar gewoon een fatsoenlijk
mens zijn’. En we denken zo nog bescheiden te zijn ook. Maar dit is een fatale
vergissing. Natuurlijk hebben we nooit verlangd of erom gevraagd het soort
schepselen te worden dat Hij van ons gaat maken. Maar de vraag is niet wat voor
bedoeling wij met onszelf hadden, maar wat zijn bedoeling met ons was toen Hij
ons maakte. (…)
Ik merk dat ik nog een
gelijkenis van George MacDonald moet lenen. Stel, je bent een levend huis. God
gaat naar binnen om het te verbouwen. Eerst begrijp je misschien nog waar Hij
mee bezig is. Hij brengt de afvoerbuizen in orde, maakt de lekken in het dak
dicht enzovoorts; je wist al dat deze dingen moesten gebeuren en je bent dus
niet verbaasd. Maar weldra begint Hij erop los te slaan op een manier die vreselijk
pijn doet en zinloos lijkt. Wat is Hij in vredesnaam van plan? De verklaring is
dat Hij bezig is een heel ander huis van je te maken dan jij gedacht had – hier
een nieuwe vleugel, daar een extra verdieping, er verrijzen torens, er worden
binnenplaatsen aangelegd. Je dacht dat jij een keurig bungalowtje zou worden,
maar Hij bouwt een paleis. De bedoeling is dat Hij er zelf komt wonen. (…)
Het is een lang en ten dele
zeer pijnlijk proces; maar dat is wat ons te wachten staat. Niets minder dan
dit. Hij meende wat Hij zei.
[1] Geciteerd uit de Nederlandse
vertaling van A.J. Smilde, C.S. Lewis, Onversneden Christendom, Utrecht:
uitgeverij Kok, 20139
[2] C.S. Lewis, Onversneden
Christendom, 227